Interview met Stefan Hofkes

Muziek bij de mensen op schoot
“Ik wil het publiek kunnen voelen”

interview met Stefan Hofkes, artistiek leider van het festival, door Lysan van Winden


Zijn eerste publiek bestond uit de klanten van een supermarkt, toen hij als tweejarige vanuit een winkelkarretje luidkeels een Brandenburgs Concert van Bach zong. Onlangs speelde hij samen met klarinettist Nick Shipman voor het eerst in de prestigieuze Purcell Room, waar een parafrase op thema’s uit Carmen leidde tot grote hilariteit onder enkele schoolmeisjes toen ze aan het slot de Toréador-melodie herkenden.
Voorspelbaarheid is bepaald niet de term die je associeert met de podiumcarrière van Stefan Hofkes, initiator van het OPERA!-festival in het Beauforthuis. Het is dan ook een feest om hem te interviewen, een genoegen dat ik voor het eerst smaakte in 1991, toen hij nog student was aan het Utrechts Conservatorium en organisator van de Vleugelconcerten – een serie die jarenlang succesvol gedraaid heeft. Vond onze afspraak destijds plaats in het Utrechtse café Springhaver, op een steenworp afstand van het conservatorium, deze keer lag een telefonisch interview meer voor de hand. Ik belde Stefan in zijn woning in Londen en hij ratelde me drie kwartier lang het oor van het hoofd. Een jonge musicus die overloopt van een aanstekelijk enthousiasme voor zijn vak en de kansen die hij krijgt om zijn muziek aan een breed publiek te presenteren. Die over het Beauforthuis vaak spreekt als ‘wij’ en daarmee onmiskenbaar getuigt van zijn band met deze bijzondere zaal.

Zou je voor iemand die nog nooit van het OPERA!-festival heeft gehoord kunnen vertellen wat het is, wat er gebeurt?
Het is een week vol muziek, waarbij opera het hoogtepunt is, de spil waar het allemaal om draait. Ons uitgangspunt daarbij is opera uit de deftige sfeer van het operahuis te halen. Veel mensen hebben nog steeds het idee: ‘een opera, daar betaal ik honderd euro voor een kaartje, ik moet mijn galajurk aan en dan krijg ik een verhaal voorgeschoteld waar ik niks van begrijp’. Wij willen de mensen laten ervaren dat opera een verhaal is waardoor je je kunt laten meeslepen.
Naast de opera zelf is er een programma met inleidingen, moderne mini-opera’s, een masterclass (om te ontdekken wat zingen eigenlijk is) en workshops voor kinderen. Je krijgt in feite een blik achter de schermen, zelfs sommige repetities voor de mini-opera’s zijn openbaar toegankelijk. We willen iedereen uitnodigen om vooral langs te komen en de sfeer op te snuiven. Vanzelfsprekend, zoals alles in het Beauforthuis, een informele sfeer. Musici, zaalmedewerkers, publiek, iedereen maakt deel uit van het festival. Dat maakt het voor ons als uitvoerenden ook zo leuk.

Grap
Dit is het derde jaar dat het festival plaatsvindt. Hoe is het ook weer begonnen?
Ik zat met Lidwien te borrelen na een concert op tweede Paasdag in de tuin van het Beauforthuis, we hadden een glas wijn teveel op, en toen maakte Lidwien de grote fout om te vragen: “Ik wil eens iets anders voor het zomerprogramma, heb jij geen leuk idee?” Mijn fantasie, onder invloed van de wijn, sloeg op hol en ik dacht aan opera, ik zag meteen de Figaro voor me: klein van opzet en heel direct, zo bij het publiek op schoot. Dat leek haar wel wat. Maar we hadden allebei het gevoel: leuk idee en daar blijft het bij. Tot er opeens geld voor bleek te zijn, allerlei culturele fondsen zagen het wel zitten. Toen waren we nog van plan om op de grond te slapen en alles zelf te doen om geld uit te sparen, en zelfs dat bleek uiteindelijk helemaal niet nodig!
In feite is het een uit de hand gelopen grap.
En dan is het verbazingwekkend om te ontdekken hoe dicht het kwam te staan bij veel grotere muzikale idealen die we hadden, maar die we helemaal nooit met dit festival in verband hadden gebracht. Eigenlijk is het iets heel groots geworden, op een manier die alleen in het Beauforthuis mogelijk is.
Ik ben zelf vooral heel blij dat we in het programma zo ruim aandacht geven aan activiteiten voor kinderen. Omdat ik nu al een tijd in Londen woon had ik niet meer zo’n zicht op de situatie in Nederland. Want hoewel er in heel Europa flink bezuinigd wordt is het muziekonderwijs hier in Engeland zoveel uitgebreider dan in Nederland: elke school heeft zijn eigen orkest, er zijn klassikale muzieklessen en als je wilt kun je er ook individueel instrumentaal onderwijs volgen.
Toen we vorig jaar in het festival een kinderworkshop organiseerden, was het wel even schrikken voor me toen bleek dat niemand een idee had wat ze moesten doen. Muziek maken, ja, maar hoe? Er waren kinderen van veertien bij die nog nooit gezongen hadden! Onvoorstelbaar vond ik dat. We zijn toen maar gewoon met ze aan de slag gegaan, en dan zie je dat ze alles opnemen wat je ze aanbiedt, dat is fantastisch. We hebben wat aria’s uit Don Giovanni met ze gezongen, en het gehad over het verhaal van de opera. Met als resultaat dat ze ’s avonds die hele opera aandachtig uitzaten, drie uur lang. En later kwam er een naar me toe en zei: “Ze hebben onze liedjes gebruikt!”
Dat kleine beetje wat we op deze manier de kinderen kunnen aanbieden is hard nodig. De muziekindustrie kauwt ons tegenwoordig voor wat we mooi moeten vinden, je hoeft Classic FM maar aan te zetten en je wordt doodgegooid met alles wat makkelijk in het gehoor ligt. Een Carmen-aria door een popzangeres is tegenwoordig wat we onder klassiek moeten verstaan. Iets anders is te moeilijk. Kinderen hebben niet zo’n vooropgezet beeld van klassiek, dat dat moeilijk zou zijn. Die luisteren naar muziek, ongehinderd door etiketten of conventies, en staan gewoon open voor alles.
Mijn neefje van vier kreeg een cd te horen met Peter en de Wolf, maar bleek uiteindelijk veel meer gefascineerd door het stuk dat erna kwam, Alexander Nevsky, toch bepaald geen eenvoudig stuk. We hebben zo gauw het idee dat iets te ingewikkeld is voor kinderen, maar laat ze er alsjeblieft kennis mee maken. Ze kiezen zelf wel!

Stefan Hofkes over het OPERA!-festival:
Ik kan mensen aanraden om vooral ook de bijprodukties in het festival te volgen, de kleine operaatjes inclusief inleidingen, om ze een kans te geven. Je krijgt het zo op schoot dat je het hele verhaal kunt volgen en er is nog zoveel mooie muziek te ontdekken.

Vierdimensionaal
Na Figaro en Don Giovanni staat dit jaar Così fan tutte op het programma. Op mij kwam dat enigszins voorspelbaar over. Dit zijn immers de drie opera’s die Mozart componeerde op libretti van Lorenzo da Ponte, en ze worden vaak in één adem genoemd. Is dat ook de overweging geweest voor de keuze van dit jaar?
Nee. De Da Ponte-opera’s vormen wel de muzikale top van Mozart’s oeuvre, dus daarom moest Così fan tutte er ook een keer van komen. Verder vonden we het belangrijk om een bekend werk op het programma te hebben, mensen willen dat toch graag. Bovendien, ook de bekendste werken hebben immers nog onbekende kanten om te ontdekken. Eigenlijk vind ik van dit drietal Così fan tutte het beste werk, de muziek is geweldig, heeft veel diepgang en subtiliteit, en daarnaast een geinig verhaal. Dat verhaal is weliswaar wat tweedimensionaal, de muziek is haast vierdimensionaal.
Kijk, Mozart was een genie, hij schreef bijvoorbeeld de ouverture van Don Giovanni een kwartier voor de opera in première ging. Maar aan een werk als Così fan tutte kun je zien dat hij daar langer over nagedacht heeft. De harmonische wendingen, de instrumentatie, het is echt luistermuziek. Muziek waar je in kunt gaan zitten en dan komen er ontzettend veel wondertjes langs.

Geef eens een voorbeeld?
In de finale, waar de paren besluiten om dan toch te trouwen, treedt het kamermeisje Despina als notaris op, waarbij ze verkleed is en een rare stem opzet. Dat is op het eerste gehoor gewoon heel komisch, maar de harmonieën daaronder gaan veel dieper dan het oppervlakkige geintje. Dat ontdek je pas als je er vaker naar luistert. Deze plek is een van mijn favoriete momenten in de opera. Het is gewoon vreselijk mooi, niet zozeer om de technische harmonische ontwikkeling maar om de onverwachte kleurschakeringen die hij oproept, akkoorden die hij doorgaans meer in zijn koorwerken gebruikt en in grote kamermuziek als het g- mineur-kwintet. Om dit dan op zo’n onverwachte plek tegen te komen… fantastisch! Ook alle toonsoorten, onverwachte orkestratie en accentwerking die de revue passeren in Dorabella’s eerste aria vind ik geniaal, het is haast Berlioz!

Het fijne van werken met Stefan is het gemak en de eenvoud waarmee alles gebeurt. Hij heeft iets waardoor je je als zanger heel comfortabel voelt en tot een maximale prestatie komt.
mezzosopraan Joke de Vin over Stefan Hofkes, Nieuwsbode, 9 juni 2005

Blijft die ingenieuze instrumentatie wel overeind als je het uitvoert met alleen piano, klarinet en viool?
Ja, dat lukt een heel eind. De genialiteit zit hem voor een groot deel in de lijnen tussen houtblazers en strijkers. Die hebben we alleen vereenvoudigd, maar ze zijn er nog steeds.

Als we kijken naar het verhaal van de opera… een van de meest ongeloofwaardige verhalen uit de opera-historie, waarin de twee zusjes hun geliefden uitzwaaien naar het front, waarna de heren verkleed terugkeren en elkaars geliefde het hof proberen te maken. Dit alles in het kader van een weddenschap welk van de dames het meest trouw is. Hoe kun je dat als modern publiek serieus nemen?
Dat moet je niet al te serieus nemen. Het is een oppervlakkig verhaal, maar wel heel komisch. Ga vooral lekker genieten van de dwaze verwikkelingen!
Overigens benadrukt onze regisseur telkens dat we ons moeten realiseren dat het verhaal zich afspeelt tegen de achtergrond van een oorlog. Ook al gaan de heren niet echt naar het front maar doen ze alsof, hun geliefden geloven dat ze werkelijk daar zijn. Dat brengt heftige emoties met zich mee, onzekerheid en angst. Je kunt je voorstellen dat het dan een soort ontsnappingstactiek is om je te verliezen in een lichtvoetige hofmakerij, het is veiliger om je daarmee bezig te houden dan met de grote emoties die altijd op de achtergrond aanwezig zijn. Dat geeft een heel andere lading aan de geloofwaardigheid.

Jullie werken met een Engelse vertaling van de opera. Stelt je dat niet in staat het verhaal enigszins naar je hand te zetten?
Jawel, maar we hebben gekozen voor een bestaande vertaling waarin dat niet is gedaan. Deze is ook door de Royal Opera gebruikt. Het is een vertaling uit 1950, waardoor de tekst nog iets ouderwets heeft, iets poëtisch. Dat sprak ons wel aan, het is goed te volgen Engels en toch niet te modern. Het werken met een vertaling is volgens mij ook in de lijn van Mozart zelf, hij was altijd bezig de dingen toegankelijk te maken. Hij schreef weliswaar opera’s voor het hof, maar vaak gingen ze over gewone mensen. Daarvan is Così fan tutte een goed voorbeeld.
Wat we in feite doen is de mensen hun zekerheden afnemen: er zit geen symfonieorkest en we werken met een vertaling. Het effect hiervan is dat ze nooit te horen krijgen wat ze verwachten en altijd verrast zullen worden. Ik zou zeggen: láát je maar verrassen! En ga als het kan de opera twee keer zien, want er valt zoveel in te ontdekken… Het mooie van Mozart is dat het voor de leek op klassiek gebied leuk is om heen te gaan, terwijl het voor echte muziekkenners ook een heel bevredigend stuk is.

Muziek – dat ben ik. Dat klinkt misschien hoogdravend, maar het is wel zo. Ik loop altijd te zingen, heb altijd muziek in mijn hoofd. Ik kan wel met muziek ophouden, maar de muziek houdt nooit met mij op.
Stefan Hofkes in 1991

Kun je zo’n produktie als deze overal uitvoeren?
Ja, zolang je zorgt dat het publiek betrokken blijft bij de voorstelling. Je moet een drama of een komedie brengen die zich afspeelt tussen mensen van vlees en bloed, met wie ze zich kunnen identificeren. Dan maakt het niet uit in welke ambiance je het neerzet. Maar als je een opera maakt omdat het concept bijzonder is terwijl het met het publiek niks te maken heeft, nee, dan kun je het beter laten.

Om welke opera vráágt de zaal van het Beauforthuis volgens jou?
Hänsel und Gretel van Humperdinck, met de deuren open zodat je het bos kan zien! Dat is ook geweldige muziek ook, het is een soort sprookjes-Wagner voor kinderen, laatromantisch, om van te smullen! Hoewel er veel mogelijk is in het Beauforthuis is Wagner zelf geen realistische optie, dat stelt onhaalbare eisen aan het orkest en is ook te groot, te omvangrijk van opzet. Op deze manier zou je toch eens iets in Wagner-sfeer kunnen neerzetten.
Het leuke van dit festival, elk jaar weer, is het vat vol passies en ideeën dat we hebben aangeboord en dat maar blijft borrelen. Wellicht is het daarom ook zo aangeslagen. De ondersteuning van de culturele fondsen is daarbij uiteraard ook heel belangrijk, en volgens mij voelen zij ons enthousiasme en is dat ook de reden dat ze zo vierkant achter ons staan. Er is geen sprake van plichtmatige subsidie. Ook de fondsen voelen zich hier direct bij betrokken.

Held
Je bent nu ruim 16 jaar bij het Beauforthuis betrokken – je halve leven. Wat is er in die periode veranderd in je relatie met het Beauforthuis?
Destijds kwamen we aanfietsen met het plan om een keer een concert te organiseren door conservatoriumstudenten. Dus kwam er een Vleugelconcert met collecte voor de Steinway-vleugel, en dat concept heeft jarenlang heel leuk gedraaid. Waarbij Lidwien, niet gehinderd door een overmaat aan ervaring met klassieke muziek, te werk ging met een soort opportunisme: ‘kom op, het klinkt als een goed idee, we doen het gewoon’. En daarmee heeft het Beauforthuis kunnen uitgroeien tot een van de grootste kleine theatertjes van Nederland.
Nu hebben we een opera-festival dat bij een glas wijn in de tuin in elkaar gebrainstormd is.
Er is dus eigenlijk niks veranderd, de plannen komen nog altijd zo aanwaaien. Daarin hebben we elkaar destijds gevonden en het werkt nog steeds.
Natuurlijk is het Beauforthuis gegroeid, het is groter geworden, professioneler, er zijn veel meer concerten. Het is fantastisch dat het beter georganiseerd is. En Frank is een held, die heeft het Beauforthuis omhooggewerkt waar dat nodig was door heel veel praktisch werk te verrichten. Door bij voorbeeld te zeggen, ‘het wordt nu toch wel eens tijd om goeie computers aan te schaffen’. Nu doen we wat de grote jongens doen, maar wel op onze manier. Dus de essentie is gebleven en dat is een wondertje.

Ik herinner me nog hoe ik tien jaar geleden programmaboekjes bij de klassieke concerten maakte. Als jij weer eens speelde werkte ik daar altijd met gemengde gevoelens aan, want je kon er de klok op gelijk zetten: Stefan speelt, dus het programma zal wel op het laatste moment gewijzigd worden.
Ja, dat doe ik nu toch veel minder. Weet je, op het conservatorium denk je dat wat je daar meemaakt het professionele muziekleven is. Als je eenmaal echt in het vak zit en je hebt het geluk dat je wat werk krijgt, dan heb je gewoon geen tijd meer om dingen te (re)organiseren. Je dóét gewoon. Dus het afgesproken programma blijft zoals het was.
Misschien komt het bij mijn optredens in het Beauforthuis nog wel vaker voor dat ik iets verander dan elders. Het hoort een beetje bij het Beauforthuis om te blijven veranderen. In beweging te blijven.
Ik speel tegenwoordig ook vooral kamermuziek, daar heb ik veel meer lol in. Dan heb je samen een programma afgesproken en daar wijk je dan niet zo snel van af.

Dus je bent meer begeleider dan solist?
Nee, een begeleider zou ik mezelf niet zozeer noemen, je bent muzikale partners. Ook bij liederen, je bent toch samen bezig. Goed, er zijn wel stukken waarbij je er een beetje onder zit te plonken, maar het gaat toch om de samenwerking, de wisselwerking. Anders wordt het nooit echt muziek.
Een ander voordeel van kamermuziek vind ik dat het niet zo nodig uit het hoofd hoeft. Ik heb niet zoveel zin meer in dat van buiten spelen. Natuurlijk kan ik dat wel, maar het is toch lekker om die muziek daar te hebben staan, als een houvast. Van uit het hoofd spelen wordt het publiek nerveus: o jee, haalt-ie het wel?
Ik wil dat het publiek kan genieten. Daarom vertel ik ook graag over muziek. Dan betrek je het publiek in je gedachtenwereld, hoe je de muziek ervaart: luister hier eens naar, let daar eens op, dit valt eraan te beleven. Het maakt het voor mezelf ook leuker, dat het publiek samen met mij die stukken gaat (her)ontdekken. En dan blijkt een stuk van Alban Berg opeens meer aan te slaan dan iets van Bach, juist omdat ze er zelf nog iets in kunnen ontdekken.
Dat vind ik zo leuk aan de openheid van kinderen, die reageren veel natuurlijker. Vorig jaar tijdens de Don Giovanni, in de scène waar de Commendatore terugkeert – dat is toch een beetje eng – begonnen die kinderen daar gewoon over te praten. Dat stoort me niet. Ik houd ook niet van zo’n podium met zoveel licht dat de zaal een zwart gat is waarvan je alleen maar wéét dat er mensen zitten. Ik wil het publiek waarnemen, voelen. Ja, ik heb ook liever dat iemand met een hoestbui dat even buiten de zaal doet, maar je mag als artiest best merken dat de mensen er zitten.